ABRAHAM,
vader des geloofs, dicht bij God
Abraham wordt de vader des geloofs genoemd. En dat is niet zomaar.
In Hebreeën 11:8-10 lezen we over hem: “Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaäk en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.”

In Ur der Chaldeeën – in Mesopotamië – hoort Abram de stem van God, die hem oproept zijn land te verlaten en op reis te gaan naar een voor hem onbekend land (Genesis 12:1). Hij gehoorzaamt en wordt zo (in Genesis 17:5) tot vader aller gelovigen. Voor alle gelovigen heeft God de belofte dat Hij hen tot Vader zal zijn en hen zal leiden op de Weg die Hij hen wijzen zal.
Abram en Saraï kiezen ervoor God een handje te helpen. Via de Egyptische slavin Hagar krijgen zij een zoon. Ze noemen hem Ismaël.
Dan maakt jaloezie zich meester van Saraï en stuurt Abram Hagar en haar zoon weg, de woestijn in. Verslagen zit Hagar bij de waterbron aan de weg naar Sur. Mar daar heeft zij een ontmoeting met de Engel des Heren, die ook haar zoon belooft zeer talrijk te maken (Genesis 16:1-16).
Vervolgens herstelt God Zijn verbond met Abram. En dan geeft God hem een nieuwe naam: Abraham, omdat hij een vader van vele volken – vader van de gelovigen - zal zijn (Genesis 17:5).

Op zeker moment krijgt Abraham dan bezoek van drie mannen - engelen - met een boodschap van God (Genesis 18:1-15). Hij zal naar Gods belofte binnen een jaar na dat bezoek een zoon krijgen en hem Isaäk noemen.
Ondanks zijn grote geloof kreeg de leugen toch vat op Abraham. Een leugentje om bestwil opende de deur voor een vreemde koning - Abimelech van Gerar – om in te breken in zijn huwelijk met Sarah. Hij vertelde daar namelijk dat de mooie vrouw Sarah zijn zuster was (Genesis 20:2).

Als uiteindelijk de aan Abraham beloofde zoon, Isaäk, geboren is, stelt God Abraham op de proef. God vraagt hem in Gen. 22:2 om zijn zoon te offeren.
Het geloof van Abraham is zo groot dat hij inderdaad op weg gaat en zijn zoon op het offerhout bindt (Gen. 22:9). Maar dan blijkt hoezeer God voorziet in de noden van de mens. In de struiken in hun nabijheid wordt Abraham door God gewezen op een ram die met de horens in de struiken vastzit (Gen. 22:13). Abraham mag zijn zoon weer in zijn armen sluiten, God verlaat nooit het werk dat Zijn hand begon.
Ja, Abraham leefde dicht bij God en is zo een voorbeeld voor ons, christenen in de 21e eeuw. Ook als we eens in de valstrik trappen die ons door satan gelegd wordt, er is een Weg terug omdat God ons liefheeft. Voorwaarde is alleen dat we ons vertrouwen volledig in God moeten stellen. We moeten Hem geloven!

Gedichten over Abraham:
Abrahams offer (door Abigaïl Pieterman)
Verder kan ik nog verwijzen naar een parafrase over Abraham in een vergelijking met de Elfstedentocht.