WATER

 

Soms zien wij het niet meer zitten,

Overspoelt de zee ons hart,

Kunnen wij niet meer genieten,

Raakt de levensdraad verward.

’t Water stijgt ons tot de lip,

Als verandert ons bestaan.

Wij hebben op ‘t leven geen grip;

Toch kan dat zo niet verder gaan.

 

’t Water zal wel blijven stromen;

Golvend blijft de levensstroom.

Maar wij weten en wij dromen

Van de blaad’ren aan de boom.

Als wij voor een kruispunt staan

-     Wachtend op het groene licht –

Mogen wij de toekomst ingaan,

Krijgen wij weer de vreugd in zicht.

 

Aan de overzij van ’t kruispunt

In ons leven is het droog.

Wat je daar allemaal doen kunt,

Zien wij aan de regenboog.

Zoveel kleur en zoveel pracht

Moet voor ons het teken zijn

Dat God altijd ons weer opwacht,

Dat Hij steeds onze Loods zal zijn.

 

 

 

 

Lied naar Gen. 7-9,

Mel.: Evenals een moede hinde,

(Psalm 42 Liedboek der kerken)