Adem Mijn adem;
Jij bent Mijn Adam.
Adem Mijn adem,
Jij, loot aan Mijn stam.
Door Mijn levensadem
Maak Ik jou mens.
Door Mijn levensadem
Word jij Mijn wens.
Als Ik Mijn adem
Blaas in jouw neus,
Adem jij adem
Van leven, ja heus.
Adem Mijn adem;
Nu rustig en kalm.
Adem Mijn adem;
Het is jouw strohalm.
Door Mijn levensadem
Geef Ik jou kracht.
Jij wordt door Mijn adem
Tot leven gebracht.
Als Ik Mijn adem
Blaas in jouw neus,
Adem jij adem
Van leven, ja heus.
Adem Mijn adem
Zoals Ik jou leer.
Adem Mijn adem;
Want Ik ben je Heer.
Adem Mijn adem,
Jij bent Mijn Adam.
Adem Mijn adem.
Ga leven, Adam!
Lied naar Gen. 2:7,
Mel.: We will glorify – T. Paris
De mens is
naar Gods beeld geschapen,
dat wil dus
zeggen: dichtbij God.
Heel anders
is dat met de apen.
Afstammen
van hen? Een duivels complot!
De mens is in staat tot overgave,
heeft een
vrije wil om te kiezen voor God
of anders zich
aan werelds genot te laven
en zich niet
te storen aan God of gebod.
De mens
kiest sinds Adam en Eva voor vrijheid,
voor
"ik kan het zelf wel, ik ben gelijk God”.
Maar satans
verleiding is echt geen oprechtheid!
Nee, met al
zijn leugens maakt hij levens kapot.
Mens, zeg nu
eens zelf: waarom zou je nog schuilen?
Waarom je
verbergen voor een alwetend God?
Je bent
verantwoordelijk, dus ga nou niet huilen…
Het offer
van Jezus is toch een prachtig aanbod?!
De mens die echt kiest om zich over
te geven,
te leven steeds dichter en dichter
bij God,
mag vanaf nu een nieuw leven gaan
leven.
Kom maar gerust! Weersta de duivel,
niet God!
(bijpassende tekst: Genesis 1:26-28
; 3:1-8)
Soms zien wij het niet meer zitten,
Overspoelt de zee ons hart,
Kunnen wij niet meer genieten,
Raakt de levensdraad verward.
’t Water stijgt ons tot de lip,
als verandert ons bestaan.
Wij hebben op ’t leven geen grip;
Toch kan dat zo niet verder gaan.
’t Water zal wel blijven stromen;
golvend blijft de levensstroom.
Maar wij weten en wijd romen
Van de blaad’ren
aan de boom.
Als wij voor een kruispunt staan
- wachtend op het groene licht –
mogen wij de toekomst in gaan,
krijgen wij weer de vreugd in zicht.
Aan de overzij van ’t kruispunt
In ons leven is het droog.
Wat je daar allemaal doen kunt
Zien wij aan de regenboog.
Zoveel kleur en zoveel pracht
Moet voor ons het teken zijn,
Dat God altijd ons weer opwacht,
Dat Hij steeds onze Loods zal zijn.
Hoe is Uw naam,
U die tot mij spreekt in brandende
braam?
Hoe is Uw naam,
O Heer, die Uw knecht roept in Uw
naam?
U bent, God, die U bent;
In Uw woord wordt U erkend.
Daar noemt U Uw naam
En geeft Uw Zoon een mens’lijke naam.
Jahweh, U bent nabij
Bij ieder kind, ver weg en dichtbij.
Hoe is Uw naam,
U die tot mij spreekt in Bethlehems stal?
Hoe is Uw naam,
O Heer, die Uw knecht steeds roepen
zal?
Wij schieten vaak tekort,
Want, God, Uw volk dat mort.
Het duurt al zo lang
Voor U weer komt; dat maakt ons
bang.
Maar, Jahweh, U komt snel,
Vader en Zoon, Immanuël.
Zo is Uw
naam,
Ja, U
bent met ons in Jezus’ naam.
Zo is Uw
naam,
Jahweh,
die Uw knecht roept in Uw naam?
Lied naar Ex. 3:1-6 en Luc. 2:1-20
Bevrijd zijn uit Egypteland,
Het land van slavernij,
Maakt Mozes en zijn volk – Gods volk
–
Van ganser harte blij.
Ze zijn het water doorgegaan,
Jahweh was hen nabij.
Dan blijkt ineens, drie dagen lang:
Het gaat niet zomaar goed.
Het volk vraagt Mozes: maak voor ons
Dit bitter water zoet.
Vergeleken met dit Mara
Was het in Egypte goed.
Hoe moeilijk is het voor een mens
Te weten dat hij is gered
En daar steeds weer uit te leven?!
Is het voor een mens niet net
Of het leed eerst is begonnen
Nu het is aan de kant gezet?
In het leven van ons mensen
- ook in de moderne tijd –
is geen plaats meer om te leven
als een volk dat reeds bevrijd,
ja, van nood en dood gered is.
Toch krijgt onze God geen spijt
Van Zijn machtig grote werken,
Die Hij aan ons heeft gedaan.
Heel Zijn schepping zal het merken:
Mara heeft echt afgedaan!
De Geneesheer zal ons schenken
Op deze aard een nieuw bestaan.
Zoals Gods volk destijds voorzien
werd
Van zoet water, vlees en brood,
Mogen wij rotsvast vertrouwen
Op het ware, levend Brood.
Daarom moeten wij nu leven
Uit onze overwonnen nood.
Naar Exodus 15:22-27
Heel Gods volk trekt uit Egypte
Achter leider Mozes aan.
Ik ben jong nog, voel de mythe,
Maar kom langzaam meer vooraan.
Bij het land dat God beloofde
Kiest men mij als een van twaalf.
Ik blijf vast op God vertrouwen;
’t beeld van reuzen klopt maar half.
Want alle wond’ren
die God voor ons deed
Zijn toch voldoende ook voor nu?
Hoe kan ’t zijn dat zoveel’ om mij
heen
God afwijzen snel en ruw?
Bij het land dat God beloofde
Zijn wij eindelijk terug.
‘k blijf nog steeds op Hem
vertrouwen,
ben nog sterk en best nog vlug.
Ik neem ’t land dat ik verkende
In bezit, mijn mooi Hebron.
Al die reuzen - heel de bende –
Versla ik, God overwon!
Want alle wond’ren
die God voor ons deed
Zijn echt voldoende ook voor nu.
Hoe kan ’t zijn dat zoveel’ om mij
heen
God afwezen snel en ruw?
Lied naar Num. 13 – 14 en Jozua 14,
Mel.: De rivier (Opwekkingslied)