INHOUDSOPGAVE:

 

Adem (Gen. 2:7)

Naar Zijn beeld (Gen. 1:26-28, 3:1-8)

Water (Gen. 7-9)

Uw Naam (Ex. 3:1-6 en Luc. 2:1-20)

Exodus – Mara (Ex. 15:22-27)

Kaleb (Num. 13-14 en Joz. 14)

 

ADEM

 


Adem Mijn adem;

Jij bent Mijn Adam.

Adem Mijn adem,

Jij, loot aan Mijn stam.

Door Mijn levensadem

Maak Ik jou mens.

Door Mijn levensadem

Word jij Mijn wens.




Als Ik Mijn adem

Blaas in jouw neus,

Adem jij adem

Van leven, ja heus.

 

Adem Mijn adem;

Nu rustig en kalm.

Adem Mijn adem;

Het is jouw strohalm.

 

Door Mijn levensadem

Geef Ik jou kracht.

Jij wordt door Mijn adem

Tot leven gebracht.


Als Ik Mijn adem

Blaas in jouw neus,

Adem jij adem

Van leven, ja heus.

Adem Mijn adem

Zoals Ik jou leer.

Adem Mijn adem;

Want Ik ben je Heer.


 

Adem Mijn adem,

Jij bent Mijn Adam.

Adem Mijn adem.

Ga leven, Adam!

 

 

Lied naar Gen. 2:7,

Mel.: We will glorify – T. Paris

 

NAAR ZIJN BEELD

 

De mens is naar Gods beeld geschapen,

dat wil dus zeggen: dichtbij God.

Heel anders is dat met de apen.

Afstammen van hen? Een duivels complot!


De mens is in staat tot overgave,

heeft een vrije wil om te kiezen voor God

of anders zich aan werelds genot te laven

en zich niet te storen aan God of gebod.

 

De mens kiest sinds Adam en Eva voor vrijheid,

voor "ik kan het zelf wel, ik ben gelijk God”.

Maar satans verleiding is echt geen oprechtheid!

Nee, met al zijn leugens maakt hij levens kapot.

 

Mens, zeg nu eens zelf: waarom zou je nog schuilen?

Waarom je verbergen voor een alwetend God?

Je bent verantwoordelijk, dus ga nou niet huilen…

Het offer van Jezus is toch een prachtig aanbod?!

 

De mens die echt kiest om zich over te geven,

te leven steeds dichter en dichter bij God,

mag vanaf nu een nieuw leven gaan leven.

Kom maar gerust! Weersta de duivel, niet God!

 

(bijpassende tekst: Genesis 1:26-28 ; 3:1-8)

 

 

WATER

 


Soms zien wij het niet meer zitten,

Overspoelt de zee ons hart,

Kunnen wij niet meer genieten,

Raakt de levensdraad verward.

’t Water stijgt ons tot de lip,

als verandert ons bestaan.

Wij hebben op ’t leven geen grip;

Toch kan dat zo niet verder gaan.

 

’t Water zal wel blijven stromen;

golvend blijft de levensstroom.

Maar wij weten en wijd romen

Van de blaad’ren aan de boom.

Als wij voor een kruispunt staan

- wachtend op het groene licht –

mogen wij de toekomst in gaan,

krijgen wij weer de vreugd in zicht.

 


Aan de overzij van ’t kruispunt

In ons leven is het droog.

Wat je daar allemaal doen kunt

Zien wij aan de regenboog.

Zoveel kleur en zoveel pracht

Moet voor ons het teken zijn,

Dat God altijd ons weer opwacht,

Dat Hij steeds onze Loods zal zijn.


 

Lied naar Gen. 7-9,

Mel.: Evenals een moede hinde,

(Psalm 42 Liedboek der kerken)

 

 

UW NAAM

 


Hoe is Uw naam,

U die tot mij spreekt in brandende braam?

Hoe is Uw naam,

O Heer, die Uw knecht roept in Uw naam?

 

U bent, God, die U bent;

In Uw woord wordt U erkend.

Daar noemt U Uw naam

En geeft Uw Zoon een mens’lijke naam.

Jahweh, U bent nabij

Bij ieder kind, ver weg en dichtbij.

 

Hoe is Uw naam,

U die tot mij spreekt in Bethlehems stal?

Hoe is Uw naam,

O Heer, die Uw knecht steeds roepen zal?

 

Wij schieten vaak tekort,

Want, God, Uw volk dat mort.

Het duurt al zo lang

Voor U weer komt; dat maakt ons bang.

Maar, Jahweh, U komt snel,

Vader en Zoon, Immanuël.


 

Zo is Uw naam,

Ja, U bent met ons in Jezus’ naam.

Zo is Uw naam,

Jahweh, die Uw knecht roept in Uw naam?

 

 

Lied naar Ex. 3:1-6 en Luc. 2:1-20

 

 

EXODUS - MARA

 


Bevrijd zijn uit Egypteland,

Het land van slavernij,

Maakt Mozes en zijn volk – Gods volk –

Van ganser harte blij.

Ze zijn het water doorgegaan,

Jahweh was hen nabij.

 

Dan blijkt ineens, drie dagen lang:

Het gaat niet zomaar goed.

Het volk vraagt Mozes: maak voor ons

Dit bitter water zoet.

Vergeleken met dit Mara

Was het in Egypte goed.

 


Hoe moeilijk is het voor een mens

Te weten dat hij is gered

En daar steeds weer uit te leven?!

Is het voor een mens niet net

Of het leed eerst is begonnen

Nu het is aan de kant gezet?

 


In het leven van ons mensen

- ook in de moderne tijd –

is geen plaats meer om te leven

als een volk dat reeds bevrijd,

ja, van nood en dood gered is.

Toch krijgt onze God geen spijt

 

Van Zijn machtig grote werken,

Die Hij aan ons heeft gedaan.

Heel Zijn schepping zal het merken:

Mara heeft echt afgedaan!

De Geneesheer zal ons schenken

Op deze aard een nieuw bestaan.

 


Zoals Gods volk destijds voorzien werd

Van zoet water, vlees en brood,

Mogen wij rotsvast vertrouwen

Op het ware, levend Brood.

Daarom moeten wij nu leven

Uit onze overwonnen nood.

 

 

Naar Exodus 15:22-27

 

 

KALEB

 

Heel Gods volk trekt uit Egypte

Achter leider Mozes aan.

Ik ben jong nog, voel de mythe,

Maar kom langzaam meer vooraan.

 

Bij het land dat God beloofde

Kiest men mij als een van twaalf.

Ik blijf vast op God vertrouwen;

’t beeld van reuzen klopt maar half.

 

Want alle wond’ren die God voor ons deed

Zijn toch voldoende ook voor nu?

Hoe kan ’t zijn dat zoveel’ om mij heen

God afwijzen snel en ruw?

 

 

Bij het land dat God beloofde

Zijn wij eindelijk terug.

‘k blijf nog steeds op Hem vertrouwen,

ben nog sterk en best nog vlug.

 

Ik neem ’t land dat ik verkende

In bezit, mijn mooi Hebron.

Al die reuzen - heel de bende –

Versla ik, God overwon!

 

Want alle wond’ren die God voor ons deed

Zijn echt voldoende ook voor nu.

Hoe kan ’t zijn dat zoveel’ om mij heen

God afwezen snel en ruw?

 

 

Lied naar Num. 13 – 14 en Jozua 14,

Mel.: De rivier (Opwekkingslied)