Ik geloof

Levensleuze

Een vonkje

Vraag toch...

 

 

IK GELOOF

 

 


Ik geloof in God de Vader,

Die de hemel schiep en d' aard;

Die Zich aan ons openbaarde,

op de Horeb is ontwaard.

Hij is goed en Hij is barmhartig;

Hij kent ieder mens op zich.

 

Ook in God de Zoon geloof ik,

Die op aard kwam in een stal;

Die reeds in Zijn tijd, geloof ik,

't hart van vele mensen stal.

Hij kwam tot ons van de Vader,

voor mensen een welbehagen.


 

Jezus Christus heeft geleden

onder 't juk van deze aard.

Hoewel Hij was zonder zonden,

hing tussen hemel en aard.

Bijna kreeg de dood Hem toen in zijn macht,

maar dat duurde slechts één dag.

 


Want 't geschied' ten derden dage

dat Hij opstond uit de dood.

Elke zonde wordt vergeven.

Ja, Hij lenigt onze nood.

Door Zijn leven komt nu voor ons de tijd

God te loven in eeuwigheid.

 

Op de wolken voer toen Jezus

naar Zijn Vader op de troon.

Vandaar komt eens weer de Christus,

gevend ons een koningskroon.

Ik geloof dat Hij in Zijn Koninkrijk

heersen zal geen-mens-gelijk.


 

Ik geloof in God de Trooster,

Die ons als de Heil'ge Geest

leidt door alle smalle poorten

en ons voedt, kleedt en geneest.

Hij is bij ons in één christ'lijke kerk.

Onze eenheid is Zijn werk.

 

 

Mel.: Eens als de bazuinen klinken – T. Naastepad

(Gezang 300 Liedboek der kerken)

 

 

LEVENSLEUZE

 

 


Ik maak opnieuw de keuze:

‘k wil achter Jezus aan.

Dit is mijn levensleuze:

“God maakt voor mij ruim baan”.

Want slechts door U te dienen

Leef ‘k naar Uw wil, o Heer.

Eeuwig leven te verdienen,

Dat is als weg verkeerd.

 

U heeft Zich aan ons kruis gehecht,

U kiest ons telkens weer.

Ons leven, Heer, heeft U verlegd,

U brengt ons in Uw sfeer.

Genade door Uw waarheid

Heeft U ook ons gebracht.

Vanwege onze slechtheid

Werd U als Lam geslacht.


 

In antwoord op Uw keuze

Kies ik daarom voor U.

Mijn nieuwe levensleuze

Krijgt ruim baan, God, van U.

Want door mijn keus te delen

Met mensen om mij heen,

Kunt U steeds wonden helen,

Laat U ons niet alleen.

 

 

Mel.: Laat ons de Heer lofzingen – Böhmische Brüder

(Gezang 409 Liedboek der kerken)

 

 

 

EEN VONKJE

 

 


Eén vonkje is genoeg

Om vuur te doen ontbranden.

Toen jij eens naar Mij vroeg,

Was Mijn intocht op handen.

Jij vroeg Mij waar ik was, maar

Ik droeg jou al die tijd.

Ik was steeds daar

In jouw gevaar

En heb jou echt bevrijd!

 

 

Nu toon Ik jou opnieuw

Dat Ik je werk’lijk liefheb.

Ik maak jou weer als nieuw:

Een mens; dat jij Mij liefhebt,

Dat is wat Ik zou wensen;

Beantwoordt Mijn verbond.

Want jouw grenzen

Zijn voor mensen,

Maar niet voor Mij, jouw God!


 

 

Ik vraag je daarom weer

Mijn hand te willen nemen

En daaraan elke keer

Te gaan je weg van dromen.

Ik vraag je om te delen

Met mensen om jou heen

Wat Ik jou geef,

Waaruit jij leeft.

Ik laat jou nooit alleen!

 

 

Mel.: It only takes a spark – K. Kaiser

 

 

 

VRAAG TOCH…

 

 


“Kampt u met ziekte, angst of pijn,

Laat Mij dan uw Toevlucht zijn.

Breng al uw noden onder ’t kruis

En Ik breng u veilig thuis.”

 

(refrein) 

Ik zeg u: “Vraag toch al wat u verlangt.

Geloof dat Ik u meer geef dan u denkt.”

Ik zeg u: “Vraag toch in geloof aan Mij

En door Mijn Geest ben Ik u steeds nabij.

 

 

“Verwacht u wonderen van Mij,

Dan zeg Ik: vraag en Ik zet vrij.

Reinig uw hart en laat Mij werken,

Dan zal Ik u voorzeker sterken.”

 

(refrein) 

Ik zeg u: “Vraag toch al wat u verlangt.

Geloof dat Ik u meer geef dan u denkt.”

Ik zeg u: “Vraag toch in geloof aan Mij

En door Mijn Geest ben Ik u steeds nabij.”


 

 

“Ik geef u” – zo zeg Ik, uw Heer –

“Vruchten in antwoord op gebed.

Ja, groeien blijft u meer en meer

Als u op Mij uw ogen zet.”

 

(refrein) 

Ik zeg u: “Vraag toch al wat u verlangt.

Geloof dat Ik u meer geef dan u denkt.”

Ik zeg u: “Vraag toch in geloof aan Mij

En door Mijn Geest ben Ik u steeds nabij.”

 

 

(mel. Spirit, Holy Wind of God,

Opwekkingsliederen 391)