GOD
ZOEKEN EN VINDEN (1)
Hoe vaak vragen wij ons af, o God,
of U eigenlijk wel naar ons luistert?
Hoe vaak vragen wij naar U, o God,
maar lijkt de weg naar U verduisterd?
Er zijn veel momenten waarop de twijfel
van onszelf, Uw mensen, ons overspoelt.
Er is gewik, geweeg en vooral geweifel
over wat U eigenlijk met ons bedoelt.
Wij krijgen geen antwoord, geheel geen gehoor
en blijven maar vragen of U er wel bent.
Maar... krijgt U bij ons eigenlijk wel gehoor?
Wordt U, God, door ons dan wel herkend?
Want U hebt ons toch naar Uw beeld geschapen,
U maakte ons toch juist als Uw bondgenoot?
U hebt ons toch naast en voor elkaar geschapen
om te leven als andermans bondgenoot?
Wij moeten toch leven zoals U dat wilt
en U zo aan anderen steeds laten zien?
Juist zo worden wij door U opgetild.
Zo laat U Zich in onze levens toch zien?
Als wij nu eens echt naar U zouden luisteren,
U konden zien in iets kleins om ons heen,
als we ons niet aan onszelf zouden kluisteren,
dan waren we nooit, nee, echt nooit meer alleen!
Soms is er in tijden van voorspoed, geluk,
Plotsklaps iets van angst, iets van “kan dit nu
wel?”.
Soms denk je: “Mijn leven kan nooit, nooit meer
stuk”,
Dan gaat het als een sneltrein, wonderlijk wel.
Het duizelt je soms voor je ogen; je denkt:
“Is dit nu mijn leven? Wat gaat het toch snel”.
Als je dan aan het probleem van je leven weer
denkt,
Dan vraag je je af: “Gaat het mij niet tč
wel?”
Toch mag je dan weten: al komt er een dal,
Al gaat het eens minder, al voel jij je moe
Van ’t werken en vechten, dat eens en voor al
Je Leider en Herder komt ook naar jou toe.
Hij komt jou bevrijden, zoals Hij eens deed
In het diepste der diepten van je bestaan,
Want de Heiland, die voor alle mensen leed,
Is ook voor jou weer opgestaan!
Zijn duizelend kruis zal de basis zijn
Van de redding van levens van jou en van mij.
Het “Ere zij God” is het grote refrein,
Dat vanaf den beginne Hem toegezongen zij.
Dus als het je duizelt in je aardse bestaan,
Omdat je weer pijn hebt, of twijfelt, of treurt,
Dan mag je steeds weten dat het čcht goed zal gaan.
Het is met de vreugde nog lang niet gebeurd!
(Mel.: Do they know – S.C. Chapman)
Er zijn van die dalen,
Waarin mensen ondergaan;
Ze zijn zo divers,
Maar zo effectief.
Er zijn steeds ravijnen
In ieder mens’lijk bestaan;
Ze zijn zo divers,
Ze zijn o zo diep.
Maar altijd komt een tijd
Waarop God bevrijdt.
Maar altijd komt een tijd
Waarin God mij leidt.
Want steeds in het diepste punt
Vraag ik naar mijn God en dan
Komt Hij naar mij toe
En neemt Hij mijn hand.
Ik vraag hoe ik verder moet,
Maar plotseling zie ik dan
Dat ik het dal voorbij ben
aan Zijn hand.
Ja, altijd komt een tijd
Waarop God bevrijdt.
Ja, altijd komt een tijd
Waarin God mij leidt.
Zoveel bergen, zoveel dalen
Bepalen ’t menselijk bestaan,
Maar als jij God het laat bepalen
Dan kun je het toch aan.
Dan blijkt, dat er altijd
komt een tijd
Waarop God bevrijdt.
Ja, altijd komt een tijd
Waarin God mij leidt.
Waar ik ook kijk zie ik
U, God.
U bent mij steeds nabij.
‘k Zie het gras en de
bomen, God,
en de schapen in de wei.
Ik zie de kinderen spelen,
Heer.
Zij zijn nog puur - zoals
U.
Ik hoor de vogels en
alweer
denk ik alleen aan U.
Er is veel stress en
onrust, God,
dat zie ik allemáál.
Maar Uw wezen zit nog
altijd, God,
in heel Uw
scheppingstaal.
Want als ik aan het kwade
denk,
dan volgt er steeds een
lach.
Daar komt het door dat ik
dan denk
aan licht in de donkere
nacht.
Een beetje adem om te
leven
krijg ik, Vader, elke
dag.
Help mij toch om door te
geven,
dat ieder mens čcht leven mag.